ECLI:NL:HR:2019:65

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 januari 2019
Publicatiedatum
17 januari 2019
Zaaknummer
17/03991
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29f AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad beslist over proceskostenvergoeding na intrekking cassatieberoep in belastingzaak

In deze zaak heeft de Staatssecretaris van Financiën beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch over de teruggaaf van omzetbelasting over de periode van 20 juni 2013 tot en met 31 december 2013. Vervolgens heeft de Staatssecretaris het cassatieberoep ingetrokken. Belanghebbende verzocht de Hoge Raad om de Staatssecretaris te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die verband houden met het gehele traject, inclusief bezwaar, rechtbank, hoger beroep en cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat op grond van artikel 29f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) alleen de kosten die zijn gemaakt voor het cassatiegeding zelf voor vergoeding in aanmerking komen. Kosten van eerdere procedures, zoals bezwaar, rechtbank en hoger beroep, vallen hier niet onder, mede omdat het hof al vergoedingen daarvoor heeft toegekend.

De Hoge Raad veroordeelt daarom de Staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van belanghebbende voor het cassatiegeding, vastgesteld op €1.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het verzoek tot vergoeding van overige kosten wordt afgewezen. Het arrest is gewezen door raadsheren Punt, van Hilten en Faase en op 18 januari 2019 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten voor het cassatiegeding, vastgesteld op €1.024, terwijl overige kosten worden afgewezen.

Uitspraak

18 januari 2019
Nr. 17/03991
Arrest
gewezen op het hierna vermelde verzoek van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende).

1.Verzoek

De Staatssecretaris van Financiën heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 6 juli 2017, nr. 16/03713 betreffende een beschikking op een verzoek van belanghebbende om teruggaaf van omzetbelasting over de periode 20 juni 2013 tot en met 31 december 2013. Hij heeft dat beroep ingetrokken. Belanghebbende heeft de Hoge Raad verzocht de Staatssecretaris te veroordelen in de kosten in verband met de behandeling van het beroep in cassatie en de behandeling van het bezwaar, van het beroep bij de Rechtbank en van het hoger beroep bij het Hof.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van het verzoek

De Hoge Raad ziet, gelet op de inhoud van het procesdossier en de gegevens die door partijen op dit punt zijn verstrekt, aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep in cassatie redelijkerwijs heeft moeten maken.
Voor het overige komt het verzoek niet voor inwilliging in aanmerking. Artikel 29f AWR, waarop het verzoek is gebaseerd, strekt zich niet uit tot de kosten van de behandeling van het bezwaar, van het beroep bij de Rechtbank en van het hoger beroep bij het Hof, waarvoor het Hof al vergoedingen heeft toegekend.

3.Beslissing

De Hoge Raad veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 1.024 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.N. Punt als voorzitter, en de raadsheren M.E. van Hilten en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2019.