Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
23 april 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake diefstal met braak in een woning. Het hof had vastgesteld dat verdachte betrokken was bij de woninginbraak, maar onvoldoende gemotiveerd bewezen verklaard dat verdachte alle delictsbestanddelen zelfstandig had vervuld. Het hof sprak verdachte vrij van medeplegen, hoewel het niet uitgesloten is dat sprake was van diefstal met braak gepleegd door meerdere personen.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat de bewezenverklaring onvoldoende was en dat de redelijke termijn was overschreden. De Hoge Raad oordeelde dat verdachte onvoldoende belang had bij vernietiging van de bewezenverklaring, maar dat de overschrijding van de redelijke termijn in cassatiefase gegrond was.
Daarom vernietigde de Hoge Raad uitsluitend de duur van de opgelegde gevangenisstraf en verminderde deze met vier maanden. Voor het overige werd het cassatieberoep verworpen. De strafvermindering houdt verband met het te laat aanleveren van stukken door het hof, waardoor de redelijke termijn werd overschreden.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd met vier maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn, beroep voor het overige verworpen.