Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
23 april 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 22 juni 2017. Bij een insluitingsfouillering werd in de portemonnee van verdachte cocaïne aangetroffen, hetgeen hem werd verweten op grond van artikel 2.C van de Opiumwet.
De centrale vraag was of artikel 9.4 van de Politiewet 2012, in samenhang met artikel 28.1 van de Ambtsinstructie voor de politie en andere opsporingsambtenaren, voldoende grondslag biedt voor het onderzoek in de portemonnee tijdens de fouillering. De Hoge Raad oordeelde dat artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (RO) hierop van toepassing is en dat het middel van cassatie niet tot cassatie kan leiden.
De Advocaat-Generaal had geconcludeerd tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad volgde dit advies. Het beroep werd verworpen zonder nadere motivering, omdat het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Het arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 23 april 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.