Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
23 april 2019.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1962, was in cassatie gegaan tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 november 2017 in een strafzaak betreffende heimelijk overpompen van minerale olie. De verdachte heeft echter geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk voorgeschreven termijn bij de Hoge Raad.
De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep. De Hoge Raad heeft vervolgens vastgesteld dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet is nageleefd, waardoor de verdachte niet kan worden ontvangen in het beroep.
Daarom heeft de Hoge Raad op 23 april 2019 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep. Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien.
Uitkomst: Verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet indienen van middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn.