Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
23 april 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door de opgeëiste persoon tegen een einduitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het verzoek tot uitlevering werd gedaan door de Verenigde Staten van Amerika vanwege strafvervolging voor invoer van cocaïne.
De verdediging voerde onder meer aan dat de door de verzoekende staat overgelegde stukken onvoldoende waren om de aanhouding en dagvaarding te rechtvaardigen en dat het Hof niet had beoordeeld of de verzoekende staat een redelijk belang had bij de uitlevering. De Hoge Raad oordeelde dat deze middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat er geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling speelden.
De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en bevestigt daarmee de uitleveringsuitspraak van het Gemeenschappelijk Hof. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 23 april 2019.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de uitlevering aan de Verenigde Staten.