Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
23 april 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland inzake een verzoek tot uitlevering van een persoon aan de Russische Federatie ter vervolging wegens oplichting. De verdachte werd geboren in 1975 en het verzoek tot uitlevering werd door de rechtbank toegewezen.
In cassatie heeft de opgeëiste persoon, bijgestaan door advocaten, een middel voorgesteld tegen deze uitleveringsuitspraak. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad heeft het middel beoordeeld en geoordeeld dat het niet tot cassatie kan leiden, mede omdat het niet noodzakelijk is voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad heeft het beroep derhalve verworpen en het arrest is gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren. De uitspraak bevestigt de uitlevering aan de Russische Federatie op basis van dubbele strafbaarheid van het feit van oplichting volgens art. 326.1 Sr.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan de Russische Federatie bevestigd.