Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2019:686

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 mei 2019
Publicatiedatum
8 mei 2019
Zaaknummer
18/01906
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 7:668a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dat na drie jaar ketenregeling arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat

In deze zaak stond centraal of na drie jaar ketenregeling een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan en hoe werkzaamheden voorafgaand aan de afgesproken ingangsdatum juridisch moeten worden gekwalificeerd.

De zaak betrof een geschil tussen een werkgever en een werkneemster waarbij de kantonrechter en het gerechtshof eerder uitspraken hadden gedaan. De werkgever stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 6 februari 2018.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere vonnissen en arresten en overweegt dat de klachten van de werkgever niet leiden tot cassatie. De Hoge Raad benadrukt dat op grond van artikel 81 lid 1 RO Pro geen nadere motivering nodig is omdat de klachten niet bijdragen aan rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad verwerpt het beroep van de werkgever en veroordeelt deze in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee wordt bevestigd dat na drie jaar ketenregeling een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat en dat de juridische kwalificatie van werkzaamheden voorafgaand aan de ingangsdatum niet tot een ander oordeel leidt.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van de werkgever wordt verworpen en de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wordt bevestigd.

Uitspraak

10 mei 2019
Eerste Kamer
18/01906
TT/ABG
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[werkgever] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[werkneemster] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J.A.M.A. Sluysmans.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [werkgever] en de werkneemster.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak 3318071 CV EXPL 14-4899 van de kantonrechter te Breda van 1 oktober 2014, 18 februari 2015 en 16 december 2015;
b. de arresten in de zaak 200.192.310/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 juli 2016 en 6 februari 2018.
Het arrest van het hof van 6 februari 2018 is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 6 februari 2018 heeft [werkgever] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De werkneemster heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G.R.B. van Peursem strekt tot verwerping.
De advocaat van [werkgever] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [werkgever] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de werkneemster begroot op € 400,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
10 mei 2019.