Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2019:690

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 mei 2019
Publicatiedatum
8 mei 2019
Zaaknummer
18/01392
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 8:544 BWArt. 8:545 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt aansprakelijkheid bij aanvaring zeeschip en binnenvaartschip

In deze zaak stond een aanvaring tussen een zeeschip en een binnenvaartschip centraal. Eiseres, een Nederlandse vennootschap, stelde de Duitse rechtspersoon en de Staat der Nederlanden aansprakelijk voor de schade die voortvloeide uit deze aanvaring. De feiten en eerdere uitspraken van de rechtbank Rotterdam en het gerechtshof Den Haag zijn aan het arrest gehecht.

Eiseres stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 6 maart 2018, waarin de aansprakelijkheid en schuldvraag waren behandeld. De Staat der Nederlanden diende een verweerschrift in en de Duitse verweerster was verstek verleend. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van eiseres niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het beroep werd verworpen en eiseres werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

De uitspraak bevestigt de toepassing van goed zeemanschap en de mede-aansprakelijkheid van partijen bij een aanvaring op het water, waarbij de artikelen 8:544 en 8:545 BW relevant zijn. Het arrest is gewezen door een meervoudige kamer van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en de aansprakelijkheid bij de aanvaring wordt bevestigd.

Uitspraak

10 mei 2019
Eerste Kamer
18/01392
TT/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. R.S. Meijer,
t e g e n
1. De rechtspersoon naar Duits recht, [verweerster] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] , Duitsland,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen,
2. STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie voor Infrastructuur en Milieu; Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat),
zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.W. Scheltema.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres] , [verweerster] en de Staat.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/10/447995/HA ZA 14-361 van de rechtbank Rotterdam van 29 oktober 2014 en 30 september 2015;
b. de arresten in de zaak 200.181.083/02 van het gerechtshof Den Haag van 5 januari 2016 en 6 maart 2018.
Het arrest van het hof van 6 maart 2018 is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 6 maart 2018 heeft [eiseres] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
De Staat heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor de Staat toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil en aan de zijde van de Staat begroot op € 856,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiseres] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, C.E. du Perron, C.H. Sieburgh en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
10 mei 2019.