Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
8 januari 2019.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar heeft geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijk gestelde termijn. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep. De Hoge Raad oordeelt dat het voorschrift van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet is nageleefd, waardoor de verdachte niet kan worden ontvangen in het beroep.
De Hoge Raad verklaart de verdachte daarom niet-ontvankelijk in het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter en de raadsheren V. van den Brink en J.C.A.M. Claassens. De uitspraak vond plaats tijdens een openbare terechtzitting op 8 januari 2019.
Er zijn geen inhoudelijke middelen behandeld omdat het beroep niet ontvankelijk werd verklaard. De zaak betreft een samenhang met andere zaken met nummers 17/01813 en 17/01839, maar deze zijn niet inhoudelijk besproken in dit arrest.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatie wegens niet-indienen middelen binnen de termijn.