Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Amsterdamvan 29 mei 2018, nr. AMS 16/6979, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 8 maart 2017.
Hoge Raad
In deze bestuursrechtelijke belastingzaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van belanghebbende beoordeeld. Het cassatieberoep betrof een verzet tegen eerdere uitspraken van de Rechtbank Amsterdam. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat belanghebbende onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Na overleg met de Procureur-Generaal besloot de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. Hiermee wordt het cassatieberoep afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de klachten.
Het arrest is gewezen door de raadsheer Wortel als voorzitter en de raadsheren Beukers-van Dooren en Cools, en is op 18 januari 2019 in het openbaar uitgesproken. Dit besluit bevestigt de strenge ontvankelijkheidstoets bij cassatie in bestuursrechtelijke belastingzaken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of niet-geschiktheid van de klachten.