Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
21 mei 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die op 7 juni 2016 werd betrapt op het besturen van een voertuig terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het hof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld op grond van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij onder meer een uittreksel justitiële documentatie als bewijsmiddel werd gebruikt.
De verdediging voerde aan dat uit de bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, mede omdat de verdachte verklaarde alle procedures over de ongeldigverklaring te hebben gewonnen. Het hof oordeelde echter dat uit de onherroepelijke veroordeling van februari 2016 en de verklaring van de verdachte kon worden afgeleid dat hij kennis had van de ongeldigverklaring.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verdachte redelijkerwijs op de hoogte moest zijn van de ongeldigverklaring. Het gebruik van het uittreksel justitiële documentatie als schriftelijk bewijs is niet onjuist, maar het bewijs dat de verdachte kennis had van de ongeldigverklaring is ontoereikend. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende bewijs dat verdachte redelijkerwijs wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.