ECLI:NL:HR:2019:721

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 mei 2019
Publicatiedatum
14 mei 2019
Zaaknummer
17/04368
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9.2 WVW 1994Art. 339 SvArt. 344 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt veroordeling wegens onvoldoende bewijs kennis ongeldigverklaring rijbewijs

De zaak betreft een verdachte die op 7 juni 2016 werd betrapt op het besturen van een voertuig terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het hof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld op grond van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij onder meer een uittreksel justitiële documentatie als bewijsmiddel werd gebruikt.

De verdediging voerde aan dat uit de bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, mede omdat de verdachte verklaarde alle procedures over de ongeldigverklaring te hebben gewonnen. Het hof oordeelde echter dat uit de onherroepelijke veroordeling van februari 2016 en de verklaring van de verdachte kon worden afgeleid dat hij kennis had van de ongeldigverklaring.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verdachte redelijkerwijs op de hoogte moest zijn van de ongeldigverklaring. Het gebruik van het uittreksel justitiële documentatie als schriftelijk bewijs is niet onjuist, maar het bewijs dat de verdachte kennis had van de ongeldigverklaring is ontoereikend. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende bewijs dat verdachte redelijkerwijs wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.

Uitspraak

21 mei 2019
Strafkamer
nr. S 17/04368
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 28 augustus 2017, nummer 21/006054-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.J. Weldam, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het tweede middel

2.1.
Het middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring en onder meer over het gebruik daarbij van het uittreksel justitiële documentatie als bewijsmiddel.
2.2.1.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
"hij op 7 juni 2016 te Enschede terwijl hij redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een categorie van motorrijtuigen, te weten Categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven, op de weg, Broekheurering, als bestuurder een motorrijtuig, personenauto, van die categorie heeft bestuurd."
2.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant] , brigadier van politie, gedateerd 7 juni 2016, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als bevindingen van verbalisant:
Ik zag dat op 7 juni 2016 te 11.32 uur in Enschede op de Broekheurnering, verdachte hier reed. De verdachte bleek te zijn [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1981 te [geboorteplaats] . Hij reed in een Ford Focus met kenteken [kenteken] . Na onderzoek bleek dat deze bestuurder een op zijn naam gesteld rijbewijs voor één of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd 07062016113201466, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant] , brigadier van politie, gedateerd 7 juni 2016, voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - als bevindingen van verbalisant:
Verdachte [verdachte] , geboortedatum [geboortedatum] -1987, verklaarde: ik rijd in de auto van iemand anders. Procedures hierover (ongeldigverklaring) heb ik allemaal gewonnen.
3. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een "Besluit tot ongeldigverklaring rijbewijs" gedateerd 6 december 2010, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Besluit tot ongeldigverklaring rijbewijs
In het besluit van 11 juni 2010 heeft het CBR, [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1987, een onderzoek opgelegd. U bent niet of niet op tijd verschenen op het onderzoek. Hierop delen wij mee welk besluit wij hierop hebben genomen.
Besluit
Uw rijbewijs is ongeldig vanaf de zevende dag na dagtekening van dit besluit.
Ondertekend namens de algemeen directeur van het CBR.
4. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten een "Uittreksel Justitiële Documentatie" gedateerd 16 juli 2017, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Datum beslissing 12 februari 2016 Politierechter Zwolle
Feit 1 art. 9 lid 2 Wegenverkeerswet Pro 1994
Overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994
Status Onherroepelijk 27 februari 2016
Feit 1, feit 2 40 uren werkstraf, subsidiair 20 dagen hechtenis"
2.2.3.
Het Hof heeft voorts het volgende overwogen:
"Overweging met betrekking tot het bewijs
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Hij heeft hiertoe - kort samengevat en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat uit de door de politierechter gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte op 7 juni 2016 wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Ook anderszins ontbreekt het aan bewijs.
Het hof is van oordeel dat het namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Het hof overweegt daarbij in het bijzonder dat blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 16 juli 2017 verdachte op 12 februari 2016 is veroordeeld door de politierechter voor onder meer overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Dit vonnis is op 27 februari 2016 onherroepelijk geworden. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat verdachte op het moment van de hier verweten gedraging, dus op 7 juni 2016, redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het hof vindt hiervoor steun in de verklaring door verdachte bij de politie afgelegde verklaring waarin hij spreekt over "ongeldig verklaring". Het verweer van de raadsman wordt verworpen."
2.3.
In de bestreden uitspraak ligt als oordeel van het Hof besloten dat het hiervoor onder 2.2.2 weergegeven uittreksel justitiële documentatie een schriftelijk bescheid als bedoeld in art. 339, eerste lid aanhef en onder 5°, Sv betreft. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien een uittreksel justitiële documentatie kan worden aangemerkt als een geschrift "opgemaakt door openbare colleges of ambtenaren, betreffende onderwerpen behoorende tot den onder hun beheer gestelden dienst" als bedoeld in art. 344, eerste lid aanhef en onder 3°, Sv (vgl. HR 12 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7957). Voor zover het middel daarover klaagt, faalt het.
2.4.
Voorts klaagt het middel dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, nu uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard.
2.5.
De klacht slaagt op de in de conclusie van de plaatsvervangend Advocaat-Generaal onder 14 en 15 vermelde gronden.
2.6.
In zoverre is het middel terecht voorgesteld.

3.Beoordeling van de overige middelen

Het eerste middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
Gelet op de hierna volgende beslissing behoeft het derde middel geen bespreking.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 mei 2019.