ECLI:NL:HR:2019:725

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 mei 2019
Publicatiedatum
14 mei 2019
Zaaknummer
17/03204
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.A OpiumwetArt. 6 EVRMArt. 81.1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij medeplegen cocaïne-invoer

De zaak betreft het beroep in cassatie van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam inzake medeplegen van het opzettelijk binnen Nederland brengen van sojameel met daarin 2 kilogram cocaïne verborgen. De zaak betrof de gecontroleerde aflevering van twee zeecontainers uit Bolivia.

De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 maanden. In cassatie werd door de advocaat-generaal voorgesteld het arrest te vernietigen uitsluitend wat betreft de strafduur en deze te verminderen, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.

De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel niet tot cassatie kon leiden. Het tweede middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden. Dit middel werd gegrond verklaard.

Als gevolg hiervan vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend ten aanzien van de strafduur en verminderde de gevangenisstraf tot twintig maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. Het arrest werd uitgesproken op 14 mei 2019 door de strafkamer van de Hoge Raad.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 22 naar 20 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

14 mei 2019
Strafkamer
nr. S 17/03204
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 20 juni 2017, nummer 23/002998-15, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en P. van Dongen, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van deze duur in de mate die de Hoge Raad gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 22 maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze twintig maanden beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 mei 2019.