Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
14 mei 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam inzake medeplegen van het opzettelijk binnen Nederland brengen van sojameel met daarin 2 kilogram cocaïne verborgen. De zaak betrof de gecontroleerde aflevering van twee zeecontainers uit Bolivia.
De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 maanden. In cassatie werd door de advocaat-generaal voorgesteld het arrest te vernietigen uitsluitend wat betreft de strafduur en deze te verminderen, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.
De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel niet tot cassatie kon leiden. Het tweede middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden. Dit middel werd gegrond verklaard.
Als gevolg hiervan vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend ten aanzien van de strafduur en verminderde de gevangenisstraf tot twintig maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. Het arrest werd uitgesproken op 14 mei 2019 door de strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van 22 naar 20 maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.