ECLI:NL:HR:2019:727
Hoge Raad
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van verzoeken tot wraking van raadsheren in cassatie Belastingkamer
Verzoekster heeft bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld in een belastingzaak. Vervolgens zijn door haar gemachtigde wrakingsverzoeken ingediend tegen enkele raadsheren van de Hoge Raad die bij de zaak betrokken waren, onder meer vanwege vermeende schijn van vooringenomenheid door eerdere betrokkenheid bij een vaststellingsovereenkomst namens het Ministerie van Financiën.
De Hoge Raad constateerde dat het eerste wrakingsverzoek tijdig was ingediend, maar dat het arrest al was gewezen voordat op dat verzoek was beslist, waardoor het arrest vervallen werd verklaard en het wrakingsverzoek opnieuw in behandeling werd genomen. De raadsheren en de waarnemend griffier berusten niet in de wraking en wensen niet te worden gehoord.
De Hoge Raad overweegt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling onpartijdig wordt vermoed, tenzij uitzonderlijke omstandigheden zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid opleveren. De enkele betrokkenheid van raadsheer Cools bij een mediationtraject en vaststellingsovereenkomst in het verleden, zonder concrete aanwijzingen voor vooringenomenheid, is onvoldoende. Ook de procedurele klacht dat het arrest werd gewezen voordat het wrakingsverzoek was behandeld, rechtvaardigt geen vrees voor vooringenomenheid.
Ten slotte wordt opgemerkt dat wraking alleen kan worden gericht tegen raadsheren die de zaak behandelen, niet tegen leden van het parket of griffiers. Gelet hierop wijst de Hoge Raad de wrakingsverzoeken af en bevestigt daarmee de onpartijdigheid van de betrokken raadsheren.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de verzoeken tot wraking af wegens gebrek aan zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid.