Uitspraak
[A]te
[Q]ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 27 maart 2018, nr. 15/01386, betreffende een door [X] te [Z] op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie beoordeeld dat was ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 maart 2018. De indiener van het cassatieberoep, een belastingplichtige, werd door de griffier van de Hoge Raad op 8 juni 2018 schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en kreeg een termijn van vier weken om dit te voldoen.
De brief is afgeleverd op het opgegeven adres, maar het griffierecht is niet betaald. Vervolgens heeft de griffier op 10 juli 2018 een tweede aangetekende brief gestuurd met de vraag waarom het griffierecht niet was voldaan, maar hierop is geen reactie ontvangen. Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werd het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om de proceskosten aan de indiener op te leggen. Het arrest is uitgesproken op 17 mei 2019 door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.