Uitspraak
[A]te
[Q]tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 9 oktober 2018, nr. SGR 18/3240 V, betreffende een naheffingsaanslag in de omzetbelasting.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag over een naheffingsaanslag in de omzetbelasting. Het beroep is ingesteld namens een besloten vennootschap. De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener verzocht binnen zes weken een bewijsstuk te overleggen waaruit blijkt dat hij gemachtigd is om het beroep in cassatie in te dienen, of een verklaring van degene namens wie het beroep is ingesteld dat hiermee instemt.
Deze verzoek is per aangetekende brief verzonden en volgens Track&Trace afgeleverd op het opgegeven adres. De indiener heeft echter geen machtiging of verklaring overgelegd. Hierdoor gaat de Hoge Raad ervan uit dat de indiener niet bevoegd was om het beroep in cassatie in te dienen.
Op grond hiervan verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2019.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een bewijs van volmacht.