Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Limburgvan 18 juli 2018, nr. AWB/ROE 17/4195 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 27 maart 2018.
Hoge Raad
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Limburg beoordeeld. Het cassatieberoep betrof een verzet tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.
Gelet op artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na overleg met de Procureur-Generaal, verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. De uitspraak werd gedaan in het openbaar op 18 januari 2019 door raadsheer J. Wortel als voorzitter, samen met raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools.
Deze beslissing betekent dat het cassatieberoep niet inhoudelijk is behandeld en dat de uitspraak van de lagere rechter in stand blijft. Het arrest betreft een toepassing van de procedurele regel uit artikel 80a RO, die de Hoge Raad de mogelijkheid geeft om niet-ontvankelijkheid te verklaren bij gebrek aan belang of gegrondheid van de klachten.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of niet-geslaagde klachten.