Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
21 mei 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor het rijden terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het rijbewijs van verdachte was in 2004 ongeldig verklaard en hij had destijds bezwaar gemaakt tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. Op de pleegdatum, 15 juli 2016, was de ongeldigverklaring nog steeds van kracht.
De Hoge Raad stelde vast dat uit deze omstandigheden kon worden afgeleid dat verdachte wist dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Het cassatieberoep richtte zich op de vraag of deze kennis kon worden aangenomen, maar het middel kon niet tot cassatie leiden.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel geen rechtsvragen opriep die in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoording behoefden. Daarom werd het beroep verworpen en bleef het arrest van het hof in stand.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, tijdens een openbare terechtzitting op 21 mei 2019.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; verdachte wordt veroordeeld voor rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs.