Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
21 mei 2019.
Hoge Raad
In deze zaak stond het beroep in cassatie centraal tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 31 augustus 2017, waarin verdachte werd veroordeeld voor het voorhanden hebben van een valse Sloveense identiteitskaart en een vals Sloveens rijbewijs. De verdachte voerde onder meer aan dat het hof ten onrechte strafmotieven had betrokken die niet waren toegelicht in de bewezenverklaring.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot cassatie konden leiden en dat een nadere motivering niet nodig was omdat de aangevoerde middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Tevens werd bevestigd dat het hof bij de strafoplegging geen onrechtmatige verwijzing had gemaakt naar niet-terecht bewezen feiten.
Het arrest werd gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en het beroep werd verworpen. Hiermee blijft het hofarrest in stand en is de veroordeling van verdachte definitief.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.