Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
21 mei 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte is veroordeeld voor medeplegen van het onttrekken van een minderjarige aan het wettig gezag. De verdediging voerde aan dat verdachte geen rechtsbijstand had gekregen en dat het hof ten onrechte had bewezenverklaard zonder het bestanddeel 'wettig' in de bewezenverklaring op te nemen.
De Hoge Raad heeft het beroep van verdachte verworpen. De Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat er geen noodzaak was tot nadere motivering, mede gelet op artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het arrest bevestigt dat het ontbreken van het woord 'wettig' in de bewezenverklaring niet leidt tot vernietiging van het arrest.
Het arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend. De conclusie van de Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens tot verwerping van het beroep is gevolgd. Hiermee is het arrest van het hof Den Haag van 18 december 2017 in stand gebleven.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Den Haag wordt bevestigd.