Belanghebbende, lid van een maatschap die een dierenartspraktijk uitoefent, investeerde in 2013 zowel in het vennootschappelijk vermogen via de maatschap als in buitenvennootschappelijk vermogen, namelijk een personenauto. De vraag was hoe de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) moet worden vastgesteld wanneer investeringen zowel binnen als buiten het vennootschappelijk vermogen plaatsvinden.
De Inspecteur stelde een evenredige toerekening voor, terwijl het Gerechtshof oordeelde dat belanghebbende aanspraak heeft op het volledige vaste bedrag van de KIA volgens de derde rij van de KIA-tabel. De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en verduidelijkt dat de samentelregeling in artikel 3.41, lid 3, Wet IB 2001 voorschrijft dat investeringen binnen het samenwerkingsverband en buitenvennootschappelijke investeringen worden bij elkaar opgeteld om de juiste tabelrij te bepalen.
De Hoge Raad wijst het middel van de Staatssecretaris af en verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Tevens wordt de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende. De uitspraak bevestigt dat het vaste bedrag van de KIA kan worden toegekend ondanks de samentelling van investeringen, zolang het totaal binnen de bandbreedte van de betreffende tabelrij valt.