Belanghebbende had in 2011 een deel van zijn certificaten in een aanmerkelijk belang geschonken aan zijn zoon A, onder de last dat A aan een andere zoon B in tien jaarlijkse termijnen een bepaald bedrag moest betalen. De vraag was of deze last als tegenprestatie moest worden gezien bij de bepaling van het vervreemdingsvoordeel voor de inkomstenbelasting.
De Rechtbank Gelderland oordeelde dat de last een tegenprestatie vormde, ook al kwam de betaling niet rechtstreeks aan belanghebbende ten goede, en dat alleen het verschil tussen de waarde van de certificaten en de last als vervreemdingsvoordeel moest worden belast.
In cassatie betoogde belanghebbende dat alleen een tegenprestatie aan hemzelf als vervreemdingsvoordeel kon gelden, maar de Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat ook een verplichting tot betaling aan een derde als tegenprestatie telt. Hierdoor werd het beroep ongegrond verklaard.
De Hoge Raad benadrukte dat de wetgever met de doorschuifregeling beoogt liquiditeitsproblemen bij bedrijfsoverdragers te voorkomen, en dat de last gezien moet worden als een prestatie die tegenover de overdracht staat, ongeacht aan wie deze wordt betaald.