Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
22 januari 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake gekwalificeerde diefstallen, met name de plaats van de pleegplaats van één diefstal. De verdachte voerde aan dat deze pleegplaats niet uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid en dat de bewezenverklaring daarmee in strijd was.
De Hoge Raad heeft het beroep beoordeeld op ontvankelijkheid en inhoud. Namens verdachte diende advocaat A.A. Franken een schriftuur in. De plaatsvervangend Advocaat-Generaal concludeerde dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard moest worden op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie (RO).
De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard en is het arrest van het hof ongewijzigd gebleven.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.