Belanghebbende, een vennootschap onder firma, had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betreffende een belastingaanslag op personenauto’s en motorrijwielen.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verplichting tot betaling van griffierecht en een termijn van vier weken gesteld. Ondanks ontvangst van deze brief is het griffierecht niet betaald.
Hierop heeft de griffier belanghebbende opnieuw in de gelegenheid gesteld om een reden te geven voor het niet tijdig betalen van het griffierecht. De door belanghebbende aangevoerde redenen waren niet voldoende om het verzuim te rechtvaardigen.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, van de Algemene wet bestuursrecht werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad zag geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2019.