Belanghebbende, een vennootschap onder firma, had tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beroep in cassatie ingesteld inzake aan haar opgelegde naheffingsaanslagen in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM).
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en een termijn van vier weken gesteld voor betaling. Deze brief is afgeleverd op het opgegeven adres, maar het griffierecht is niet voldaan.
Vervolgens is belanghebbende opnieuw aangeschreven om een verklaring te geven voor het niet tijdig betalen van het griffierecht, maar hierop is niet gereageerd. Op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb wordt het beroep in cassatie daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad ziet geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en spreekt het arrest uit in aanwezigheid van de raadsheren en de waarnemend griffier.