ECLI:NL:HR:2019:812

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 mei 2019
Publicatiedatum
23 mei 2019
Zaaknummer
17/02318
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8.2.a WVW 1994Art. 9.1 WVW 1994Art. 81 ROArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over rijden onder invloed en ontzegging rijbevoegdheid

De Hoge Raad heeft op 28 mei 2019 het cassatieberoep van de verdachte verworpen tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 februari 2017. De verdachte was veroordeeld voor het rijden met een snorfiets onder invloed van alcohol en het rijden terwijl hem ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen was opgelegd.

De verdediging had verzocht om aanhouding van de procedure omdat de verdachte verhinderd was wegens een reis naar Brussel vanwege familieomstandigheden. Dit verzoek werd door het hof afgewezen op grond van een belangenafweging waarbij het belang van een adequate en snelle afdoening zwaarder woog dan het belang van de verdachte om zijn persoonlijke situatie toe te lichten.

De Hoge Raad oordeelde dat het middel van cassatie niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Hoewel de redelijke termijn was overschreden, werd gelet op de korte gevangenisstraf van twee weken geen rechtsgevolg verbonden aan deze overschrijding.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van twee weken gevangenisstraf blijft in stand.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer17/02318
Datum28 mei 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 15 februari 2017, nummer 21/006763-15, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twee weken en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
28 mei 2019.