Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Den Haagvan 10 januari 2019, nr. SGR 18/5432 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 27 september 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag inzake een verzetprocedure. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie beoordeeld op ontvankelijkheid. Uit de beoordeling blijkt dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat belanghebbende klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na overleg met de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk is behandeld en dat de uitspraak van de lagere rechter in stand blijft.
Het arrest is gewezen door de raadsheer Wortel als voorzitter, samen met de raadsheren Beukers-van Dooren en Cools, en in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2019. De uitspraak bevestigt de strikte criteria voor ontvankelijkheid van cassatieberoepen en benadrukt het belang van voldoende belang bij het instellen van cassatie.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang of onvoldoende gegronde klachten.