ECLI:NL:HR:2019:844

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 juni 2019
Publicatiedatum
4 juni 2019
Zaaknummer
17/03392
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 6 EVRMArt. 132 SrNA
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over bewezenverklaring poging tot actieve omkoping bij verkiezingen Sint Maarten

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, waarin verdachte werd veroordeeld voor (poging tot) actieve omkoping door het aanbieden van geld aan politieambtenaren in ruil voor stemmen op zijn politieke partij tijdens verkiezingen in Sint Maarten.

De verdediging stelde middelen van cassatie voor, maar de Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

Hoewel de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, achtte de Hoge Raad dit niet aanleiding om rechtsgevolgen te verbinden aan die termijnoverschrijding, gelet op de aard van de opgelegde straf: een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar, een geldboete van NAf 300,- en subsidiair zes dagen hechtenis.

De Hoge Raad wees het beroep af en bevestigde daarmee het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het vonnis van het Hof bevestigd met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een geldboete.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer17/03392
Datum4 juni 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, van 3 mei 2017, nummer H-151/16, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren op [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
hierna: de verdachte.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft C. Reijntjes-Wendenburg, advocaat te Maastricht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte geheel voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren, de geldboete van NAf 300,-, subsidiair 6 dagen hechtenis, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 juni 2019.