ECLI:NL:HR:2019:845
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Cassatieberoep verworpen in zaak medeplegen bedreiging met misdrijf tegen het leven
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die samen met haar toenmalige vriend bedreigende taal heeft geuit richting een gezinsvoogd, omdat zij haar dochter niet mee naar huis kreeg. De bedreigingen betroffen uitingen als "ik ga jou helemaal kapot maken" en "je bent gewoon aan de beurt". De verdachte was ten tijde van de bedreigingen werkzaam bij de politie.
Het hof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld voor medeplegen van bedreiging met een misdrijf tegen het leven, zoals bedoeld in artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De vraag was of de bedreigingen zodanig waren dat bij de aangeefster in redelijkheid vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen.
In cassatie klaagde de verdachte over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase doordat stukken te laat door het hof werden ingezonden. De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn inderdaad was overschreden, maar gelet op de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf en de mate van overschrijding, geen rechtsgevolg aan deze overschrijding verbonden kon worden.
De overige middelen van cassatie werden verworpen zonder nadere motivering, omdat deze niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad bevestigde daarmee het arrest van het hof en verwierp het cassatieberoep.
Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; strafoplegging voor medeplegen bedreiging blijft gehandhaafd.