ECLI:NL:HR:2019:845

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 juni 2019
Publicatiedatum
4 juni 2019
Zaaknummer
18/02487
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 SrArt. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep verworpen in zaak medeplegen bedreiging met misdrijf tegen het leven

De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die samen met haar toenmalige vriend bedreigende taal heeft geuit richting een gezinsvoogd, omdat zij haar dochter niet mee naar huis kreeg. De bedreigingen betroffen uitingen als "ik ga jou helemaal kapot maken" en "je bent gewoon aan de beurt". De verdachte was ten tijde van de bedreigingen werkzaam bij de politie.

Het hof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld voor medeplegen van bedreiging met een misdrijf tegen het leven, zoals bedoeld in artikel 285, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De vraag was of de bedreigingen zodanig waren dat bij de aangeefster in redelijkheid vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen.

In cassatie klaagde de verdachte over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase doordat stukken te laat door het hof werden ingezonden. De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn inderdaad was overschreden, maar gelet op de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf en de mate van overschrijding, geen rechtsgevolg aan deze overschrijding verbonden kon worden.

De overige middelen van cassatie werden verworpen zonder nadere motivering, omdat deze niet leidden tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad bevestigde daarmee het arrest van het hof en verwierp het cassatieberoep.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; strafoplegging voor medeplegen bedreiging blijft gehandhaafd.

Uitspraak

4 juni 2019
Strafkamer
nr. S 18/02487
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 22 december 2017, nummer 21/002173-16, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.E. Kötter, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het vierde middel

2.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
2.2.
Het middel is gegrond. Gelet op de aan de verdachte opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf van twintig uren, subsidiair tien dagen hechtenis, met een proeftijd van twee jaren en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

3.Beoordeling van de overige middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juni 2019.