Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
22 januari 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld voor diefstal met behulp van een valse sleutel en het gebruik van een gestolen bankpas. Hij stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar alleen wat betreft de strafmaat, met vermindering naar de gebruikelijke maatstaf.
De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel niet tot cassatie kon leiden en dat het tweede middel gegrond was omdat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden door te late toezending van stukken door het hof.
Dit leidde tot vernietiging van het arrest uitsluitend voor het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis. De Hoge Raad verminderde de taakstraf tot 133 uren en de vervangende hechtenis tot 66 dagen, en verwierp het beroep voor het overige.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 22 januari 2019.
Uitkomst: De taakstraf werd verminderd tot 133 uren en de vervangende hechtenis tot 66 dagen wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.