Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beslissing
22 januari 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de verdachte werd veroordeeld voor poging tot doodslag op zijn echtgenote in de slaapkamer met onder meer een mes en een kussen. De verdachte stelde in cassatie verschillende klachten in, waaronder de afwijzing van verzoeken tot het horen van de aangeefster als getuige en tot nader deskundigenonderzoek naar bloedsporen.
De Hoge Raad oordeelde dat de eerste twee klachten niet tot cassatie konden leiden en gaf geen nadere motivering, omdat deze niet van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden.
Dit leidde tot de vernietiging van het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafmaat. De Hoge Raad verminderde de gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden naar vijf jaar en vijf maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren op 22 januari 2019.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van vijf jaar en zes maanden naar vijf jaar en vijf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.