ECLI:NL:HR:2019:878
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie tegen uitspraak op verzet belastingzaak
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag waarin het hof het verzet van belanghebbende gegrond verklaarde. De Hoge Raad beoordeelt de ontvankelijkheid van dit cassatieberoep aan de hand van artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Deze bepaling beperkt de kennisname van de Hoge Raad tot uitspraken van de bestuursrechter waarvoor cassatie openstaat.
In deze zaak is geen wettelijke grondslag voor cassatieberoep tegen een uitspraak op verzet, ook niet indien die uitspraak een beslissing bevat over de vergoeding van proceskosten. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar eerdere jurisprudentie (HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:363).
Op grond hiervan verklaart de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Tevens ziet de Hoge Raad geen aanleiding om proceskosten aan belanghebbende toe te wijzen. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2019.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard.