ECLI:NL:HR:2019:887

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 juni 2019
Publicatiedatum
6 juni 2019
Zaaknummer
17/05115
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 287 Sr
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep in doodslagzaak Amsterdam

In deze zaak stond de verdachte terecht voor doodslag op zijn 88-jarige echtgenoot door hem met een mes te steken in Amsterdam. Het gerechtshof Amsterdam had de zaak eerder behandeld en een arrest gewezen op 26 oktober 2017.

De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen dit arrest. Zijn advocaat diende een schriftuur in, die deel uitmaakt van het arrest van de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft de ontvankelijkheid van het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten onvoldoende zijn om behandeling in cassatie te rechtvaardigen.

De Hoge Raad overwoog dat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het beroep, dan wel dat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal, verklaarde de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk.

Het arrest werd uitgesproken op 11 juni 2019 door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad. Dit betekent dat het arrest van het gerechtshof Amsterdam in stand blijft en dat er geen inhoudelijke behandeling van het cassatieberoep plaatsvindt.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard, waardoor het arrest van het gerechtshof in stand blijft.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer17/05115
Datum11 juni 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 26 oktober 2017, nummer 23/001629-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1928.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingediend. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 juni 2019.