Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
11 juni 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een notaris die werd verdacht van het opzettelijk onjuist doen van belastingaangifte, feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift door een rechtspersoon en witwassen. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de verdachte veroordeeld. De verdachte stelde in cassatie dat er geen redelijk vermoeden van schuld bestond en dat het opzet ontbrak vanwege een pleitbaar standpunt, mede gebaseerd op een uitspraak van de notariskamer van het gerechtshof Amsterdam.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden. Gezien artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering was geen nadere motivering vereist omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier tijdens een openbare terechtzitting op 11 juni 2019.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van de verdachte.