Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
11 juni 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van een opzettelijke overtreding van artikel 3.C van de Opiumwet, waarbij 1040 gram hasjiesj in zijn woning werd aangetroffen. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad, met als grondslag een bewijsklacht over het opzettelijk aanwezig hebben van de drugs.
De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering noodzakelijk was, omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarmee bevestigde de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof en verwierp het beroep van de verdachte. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 11 juni 2019.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor medeplegen van een opzettelijke overtreding van de Opiumwet.