Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
22 januari 2019.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of een schriftelijke vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer als wettig bewijsmiddel kon dienen om aan te tonen dat de hoofdconductrice ten tijde van de mishandeling en belediging werkzaam was als ambtenaar. De verdachte werd beschuldigd van mishandeling en belediging van een ambtenaar tijdens de rechtmatige uitoefening van haar bediening.
Het hof had de schriftelijke vordering tot schadevergoeding, ingediend door het slachtoffer, gebruikt als bewijsstuk om de ambtelijke status van het slachtoffer aan te tonen. De verdediging betwistte dit bewijs, stellende dat niet wettig en overtuigend was bewezen dat het slachtoffer ambtenaar was op het moment van het incident.
De Hoge Raad oordeelde dat op grond van de relevante artikelen uit het Wetboek van Strafvordering het slachtoffer stukken kan toevoegen aan het dossier die zij relevant acht voor de beoordeling van de zaak. Er is geen rechtsregel die het gebruik van een dergelijk stuk als bewijs uitsluit, mits het aan de bewijsvoorschriften voldoet. Het hof had dus terecht het verzoek tot schadevergoeding als bewijs gebruikt. Het beroep van de verdachte werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het gebruik van de schriftelijke schadevordering als wettig bewijs van de ambtelijke status van het slachtoffer.