Eisers stelden dat de executoriale verkoop van hun bedrijfspanden door Rabobank onrechtmatig was en dat de bank onvoldoende rekening had gehouden met hun belangen. De zaak werd behandeld in meerdere instanties, waarbij het gerechtshof Amsterdam op 13 maart 2018 een arrest heeft gewezen.
In cassatie richtten eisers zich tegen dit arrest, maar de Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden. Er was geen aanleiding om rechtsvragen te beantwoorden die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad verwierp het beroep en veroordeelde eisers in de kosten van het geding, waarbij Rabobank verstek liet. Hiermee werd het eerdere oordeel van het gerechtshof bekrachtigd, waarmee de zorgplicht van de bank bij de executoriale verkoop als voldoende werd beoordeeld.