ECLI:NL:HR:2019:956
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk inzake kosten van vervolging
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag over aan hem in rekening gebrachte kosten van vervolging. De Hoge Raad beoordeelde de ontvankelijkheid van dit beroep. Volgens artikel 78, lid 4, van de Wet op de rechterlijke organisatie kan de Hoge Raad alleen kennisnemen van cassatieberoepen tegen bestuursrechterlijke uitspraken indien de wet dit toestaat.
In deze zaak was er geen wettelijke bepaling die cassatie openstelde tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van een rechtbank zoals hier aan de orde. Daarom moest het beroep in cassatie niet-ontvankelijk worden verklaard. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen.
Het arrest werd gewezen door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools en in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2019. Hiermee werd het beroep in cassatie definitief afgewezen zonder inhoudelijke behandeling van de zaak.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag.