Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
14 juni 2019.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of een echtgenoot na ontbinding van de huwelijksgemeenschap hoofdelijk aansprakelijk is voor geldleningen die tijdens het huwelijk zijn aangegaan door de andere echtgenoot. De vordering betrof een bedrag van € 93.000,-- dat door verweerders aan betrokkene 1 was geleend, waarbij eiseres mede aansprakelijk werd gesteld op grond van artikel 1:102 BW Pro.
De rechtbank wees de vordering jegens eiseres af, maar het hof stelde eiseres hoofdelijk aansprakelijk voor het gehele bedrag. De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht uitging van de huidige tekst van artikel 1:102 BW Pro, die sinds 1 januari 2012 geldt en die hoofdelijkheid bepaalt met een beperking van verhaal. Deze beperking betreft dat verhaal slechts mogelijk is tot het bedrag dat de echtgenoot uit de verdeling van de gemeenschap heeft verkregen.
De Hoge Raad oordeelde dat deze wettelijke beperking van verhaal niet expliciet in het dictum van het arrest hoeft te worden opgenomen, omdat deze beperking al uit de wet voortvloeit. De klacht dat het hof dit niet had gedaan, werd daarom verworpen. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde eiseres in de kosten van het geding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de hoofdelijke aansprakelijkheid van eiseres voor de lening van € 93.000,--.