Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
(p. 6 e.v.):
3.Beslissing
18 juni 2019.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de verdachte terecht voor medeplichtigheid aan het opzettelijk telen van hennep in een pand dat hij onderverhuurde. Het hof had bewezen verklaard dat de verdachte opzettelijk gelegenheid had verschaft door het pand ter beschikking te stellen voor de hennepteelt.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof niet had voldaan aan de motiveringsplicht omtrent het vereiste opzet voor medeplichtigheid. Het hof had nagelaten te onderzoeken of de verdachte (voorwaardelijk) opzet had gericht op het misdrijf zelf, terwijl dit volgens vaste jurisprudentie noodzakelijk is. Uit de bewijsmiddelen bleek dat de verdachte pas kort voor de ontdekking van de hennepkwekerij op de hoogte was gebracht en contact had opgenomen met zijn onderhuurder, maar de strekking van dat contact was onduidelijk.
Daarom was de bewezenverklaring dat de verdachte opzettelijk gelegenheid had verschaft niet zonder meer af te leiden uit de bewijsmiddelen. De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend voor zover het betrekking had op het tenlastegelegde en de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van het opzet en de strafoplegging.