Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
29 januari 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd bewezenverklaard van opzetheling van een gestolen Renault Captur. Verdachte werd op 19 september 2016 in Breda aangetroffen in de gestolen auto, die voorzien was van een ander kenteken dan het originele. Hij beschikte niet over autopapieren en gaf geen geloofwaardige verklaring voor het bezit van de auto.
Het hof concludeerde dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de auto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof. Verdachte voerde in cassatie aan dat het hof hiermee art. 6 EVRM Pro en de EU-Richtlijn 2016/343 inzake het recht op een eerlijk proces had geschonden, omdat zijn zwijgen niet als bewijs mocht worden gebruikt.
De Hoge Raad oordeelde dat het zwijgen van verdachte niet op zichzelf bewijs kan vormen, maar dat het hof wel mocht meewegen dat verdachte geen aannemelijke ontlastende verklaring gaf. Dit is in lijn met jurisprudentie en de wetsgeschiedenis van art. 416 Sr Pro. Ook het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de EU werd afgewezen.
De Hoge Raad bevestigde dat voor opzetheling vereist is dat verdachte ten tijde van het verkrijgen van het goed wist dat het van misdrijf afkomstig was. De bewijsvoering mag meewegen dat er geen aanwijzingen zijn dat deze wetenschap pas later ontstond. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het arrest van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de bewezenverklaring van opzetheling van de gestolen auto.