Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
18 juni 2019.
Hoge Raad
De verdachte werd aanvankelijk ten laste gelegd dat hij medepleegde aan diefstal van diverse voorwerpen, waaronder gebaksvorkjes, uit een woning gedurende de voor nachtrust bestemde tijd, door middel van braak, in een woning te [woonplaats]. Tijdens het hoger beroep vorderde de Advocaat-Generaal op grond van art. 313 Sv Pro een wijziging van de tenlastelegging, subsidiair toevoeging van opzet- of schuldheling van acht gebaksvorkjes die uit die woning waren gestolen.
Het hof wees deze wijziging toe, stellende dat het om hetzelfde feitencomplex ging. De verdediging verzette zich tegen deze wijziging vanwege het substantieel verschil tussen de delictsomschrijvingen van diefstal met braak en heling.
De Hoge Raad oordeelde dat de delictsomschrijving van gekwalificeerde diefstal mede gericht is op bescherming van huisvrede en strafverzwarende omstandigheden kent met een hoger strafmaximum dan heling. Ook zijn er specifieke eisen aan tijd, plaats en wijze van uitvoering verbonden aan de diefstal. Hierdoor is het verschil in juridische aard en gedragingen tussen de tenlastelegging en de wijziging dermate groot dat geen sprake is van hetzelfde feit in de zin van art. 68 Sr Pro. De wijziging van de tenlastelegging is daarom ten onrechte toegewezen.
De Hoge Raad vernietigde het bestreden arrest voor zover het de wijziging betrof en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de wijziging van de tenlastelegging en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting.