Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
18 juni 2019.
Hoge Raad
De klager heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van de Rechtbank Den Haag van 25 april 2017, waarbij een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv werd behandeld. Het cassatieberoep werd ingediend door de advocaat M.J. Lamers namens de klager. De Advocaat-Generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep wegens termijnoverschrijding.
Uit de processtukken blijkt dat de bestreden beschikking op 24 mei 2017 aan de klager is betekend. Het cassatieberoep werd vervolgens op 12 juni 2017 ingediend, wat na het verstrijken van de wettelijke termijn is. Hierdoor kan de Hoge Raad de klager niet ontvankelijk verklaren in het beroep.
De Hoge Raad heeft daarom op 18 juni 2019 besloten het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren. De beschikking werd uitgesproken door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, samen met raadsheren Y. Buruma en M.J. Borgers, tijdens een openbare terechtzitting.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke termijn.