Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
18 juni 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een beroep in cassatie van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag, waarin hij was veroordeeld voor een overtreding van artikel 5 van Pro de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Het hof legde een geldboete van € 250,- op, subsidiair 5 dagen hechtenis.
De advocaat van de verdachte stelde een middel van cassatie voor, maar de Advocaat-Generaal concludeerde tot niet-ontvankelijkheid van het beroep. De Hoge Raad heeft vervolgens beoordeeld of het beroep ontvankelijk was. Gelet op artikel 427 van Pro het Wetboek van Strafvordering staat tegen het bestreden arrest geen beroep in cassatie open.
Daarom verklaarde de Hoge Raad de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep. Dit arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad tijdens een openbare terechtzitting op 18 juni 2019.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep wegens uitsluiting van cassatie door artikel 427 Sv.