Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
2 juni 2020.
Hoge Raad
Het openbaar ministerie stelde cassatieberoep in tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag waarin een klaagschrift van een verpleegkundige (centralist meldkamer) en haar werkgever (geneeskundige meldkamer) werd behandeld. Het klaagschrift betrof een vordering tot verstrekking van gevoelige gegevens, namelijk een meldkamergesprek, op grond van artikel 126nf Sv, nadat een alarmnummer was gebeld in verband met het aantreffen van een overleden bejaarde vrouw en het vermoeden van een misdrijf.
De kern van het geschil betrof het verschoningsrecht van de verpleegkundige en het afgeleide verschoningsrecht van de geneeskundige meldkamer, zoals neergelegd in artikel 218 Sv Pro. De rechtbank had het onderzoek in de raadkamer aangehouden in afwachting van nadere informatie van het OM. De Hoge Raad heeft de klachten van het OM tegen deze uitspraak beoordeeld en geoordeeld dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van de uitspraak.
De Hoge Raad heeft geen nadere motivering gegeven, omdat het niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro. Hiermee bevestigde de Hoge Raad het belang van het verschoningsrecht in deze context en wees het cassatieberoep af.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van het OM en bevestigt het verschoningsrecht van de verpleegkundige en geneeskundige meldkamer.