Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2020:1009

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juni 2020
Publicatiedatum
3 juni 2020
Zaaknummer
18/02984
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 273f SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 Wet ROArt. 342 lid 2 SvArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf en ambtshalve vernietiging vervangende hechtenis bij mensenhandel

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag in een strafzaak over meermalen gepleegde mensenhandel. De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van 44 maanden en opgelegde schadevergoedingsmaatregelen met vervangende hechtenis bij niet-betaling.

In cassatie werden meerdere klachten ingediend, waaronder over innerlijke tegenstrijdigheden in het vonnis, het niet ambtshalve oproepen van belastende getuigen, en het bewijsminimum. De Hoge Raad verwierp deze klachten zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 Wet Pro RO.

Wel werd het cassatiemiddel gegrond verklaard dat de redelijke termijn was overschreden doordat stukken te laat werden ingezonden, wat leidde tot vermindering van de straf van 44 naar 42 maanden. Daarnaast vernietigde de Hoge Raad ambtshalve het deel van het hofarrest waarin vervangende hechtenis werd toegepast bij de schadevergoedingsmaatregel, en bepaalde dat in plaats daarvan gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast conform artikel 6:4:20 Sv Pro.

Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 9 juni 2020. De overige klachten werden verworpen en het beroep werd voor het overige afgewezen.

Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd naar 42 maanden en vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregel is ambtshalve vernietigd, waarbij gijzeling kan worden toegepast.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/02984
Datum9 juni 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 27 juni 2018, nummer 22/003476-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft M. Berndsen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de hoogte daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 44 maanden.

4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

4.1
Het hof heeft de verdachte de verplichtingen opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in het arrest telkens genoemde aantal dagen hechtenis.
4.2
De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen voor zover daarbij vervangende hechtenis is toegepast, overeenkomstig hetgeen is beslist in HR 26 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:914.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers telkens vervangende hechtenis is toegepast en wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers met toepassing van artikel 6:4:20 van Pro het Wetboek van Strafvordering telkens gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast;
- vermindert deze gevangenisstraf in die zin dat deze 42 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
9 juni 2020.