Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
9 juni 2020.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag in een strafzaak over meermalen gepleegde mensenhandel. De verdachte werd door het hof veroordeeld tot een gevangenisstraf van 44 maanden en opgelegde schadevergoedingsmaatregelen met vervangende hechtenis bij niet-betaling.
In cassatie werden meerdere klachten ingediend, waaronder over innerlijke tegenstrijdigheden in het vonnis, het niet ambtshalve oproepen van belastende getuigen, en het bewijsminimum. De Hoge Raad verwierp deze klachten zonder nadere motivering, conform artikel 81 lid 1 Wet Pro RO.
Wel werd het cassatiemiddel gegrond verklaard dat de redelijke termijn was overschreden doordat stukken te laat werden ingezonden, wat leidde tot vermindering van de straf van 44 naar 42 maanden. Daarnaast vernietigde de Hoge Raad ambtshalve het deel van het hofarrest waarin vervangende hechtenis werd toegepast bij de schadevergoedingsmaatregel, en bepaalde dat in plaats daarvan gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast conform artikel 6:4:20 Sv Pro.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 9 juni 2020. De overige klachten werden verworpen en het beroep werd voor het overige afgewezen.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd naar 42 maanden en vervangende hechtenis bij schadevergoedingsmaatregel is ambtshalve vernietigd, waarbij gijzeling kan worden toegepast.