ECLI:NL:HR:2020:1011
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoorplicht bij naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en schending daarvan
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en een boete opgelegd door de Inspecteur. Zij maakte bezwaar en werd tweemaal door de Inspecteur gevraagd of zij gebruik wilde maken van het recht om te worden gehoord. Belanghebbende reageerde tijdig op de eerste brief en gaf aan het recht te willen uitoefenen, maar reageerde niet op de tweede.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende geen expliciet verzoek tot horen had gedaan en dat de Inspecteur voldoende gelegenheid had geboden om te worden gehoord. De Hoge Raad stelde echter vast dat de reactie van belanghebbende op de eerste brief voldoende was om het verzoek tot horen te doen gelden, ook al was dit geclausuleerd met "en/of voor zover noodzakelijk".
De Hoge Raad vernietigde de uitspraken van Hof en Rechtbank wegens schending van de hoorplicht zoals bedoeld in artikel 7:2 Awb Pro. De rechtsgevolgen van de uitspraak op bezwaar bleven echter in stand omdat belanghebbende door het achterwege blijven van de hoorzitting wel degelijk werd benadeeld. Daarnaast werd de Staatssecretaris en de Inspecteur veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraken wegens schending van de hoorplicht en verklaart het beroep van belanghebbende gegrond.