Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
5 juni 2020.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen en zijn gescheiden met een geschil over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De vrouw verzocht de verdeling volgens haar voorstel, de man deed hetzelfde met een afwijkend voorstel. De rechtbank sprak de echtscheiding uit en stelde de verdeling vast. Het hof vernietigde het gedeelte over de aandelen in de vennootschap waarvan de man directeur-grootaandeelhouder is en bepaalde dat deze aandelen aan de man toekomen zonder verrekening.
Daarnaast bepaalde het hof dat de hypothecaire geldlening van € 250.138,-- van de vennootschap aan partijen, betreffende de echtelijke woning, reeds was afgelost. De man stelde dat deze vordering nog bestond, maar het hof oordeelde dat de vrouw terecht had aangevoerd dat de schuld was afgelost, gebaseerd op jaarcijfers die zij pas recentelijk had verkregen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht de vrouw in hoger beroep in de gelegenheid had gesteld deze stelling naar voren te brengen, ondanks de tweeconclusieregel. De klacht dat het hof niet had mogen bepalen dat de lening was afgelost omdat de vennootschap geen partij was, werd vanwege gebrek aan belang verworpen. Het cassatieberoep werd afgewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de hypothecaire geldlening is afgelost en de aandelen aan de man toekomen zonder verrekening.