Uitspraak
verblijvende te [woonplaats] ,
2.Uitgangspunten en feiten
overgangsrecht
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
5 juni 2020.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of een rechter in een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) andere vormen van verplichte zorg mag opnemen dan in de oorspronkelijke crisismaatregel vermeld. Betrokkene had een last tot inbewaringstelling gekregen op grond van de oude Wet Bopz, die bij overgangsrecht als crisismaatregel wordt aangemerkt.
De rechtbank had een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend, waarbij werd bepaald dat deze machtiging alleen betrekking kon hebben op de gedwongen opname en beperking van bewegingsvrijheid zoals onder de last tot inbewaringstelling viel. Betrokkene stelde in cassatie dat de beperking van bewegingsvrijheid niet onder de last viel, omdat die alleen betrekking had op opname en verblijf.
De Hoge Raad overwoog dat bij de beoordeling van een machtiging tot voortzetting van een crisismaatregel moet worden uitgegaan van de actuele situatie (ex nunc) en dat andere of meer vormen van verplichte zorg dan in de oorspronkelijke crisismaatregel kunnen worden opgenomen. Dit strookt met een wetsvoorstel dat deze mogelijkheid expliciet maakt. Daarnaast bevestigde de Hoge Raad dat de beperking van bewegingsvrijheid inherent is aan de gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis onder de Wet Bopz, zodat de rechtbank terecht oordeelde dat deze beperking onder de last tot inbewaringstelling viel.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de rechtmatigheid van de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel inclusief de beperking van bewegingsvrijheid.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de rechtmatigheid van de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel inclusief beperking van bewegingsvrijheid.