ECLI:NL:HR:2020:102

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 januari 2020
Publicatiedatum
22 januari 2020
Zaaknummer
19/03374
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:119 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot herziening in belastingzaak niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling griffierecht

Belanghebbende verzocht de Hoge Raad om herziening van een eerder arrest in een belastingzaak. De griffier wees belanghebbende op de verschuldigdheid van griffierecht en stelde een termijn van vier weken voor betaling. De aangetekende brief werd echter onbestelbaar teruggezonden, waarna een gewone brief werd verzonden. Ondanks een tweede brief waarin belanghebbende werd gevraagd een verklaring te geven voor het niet betalen van het griffierecht, werd hier geen gebruik van gemaakt.

Op grond van artikel 8:41, lid 6, in verbinding met artikel 8:119, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) werd het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad zag geen aanleiding om belanghebbende te veroordelen in de proceskosten.

Het arrest werd uitgesproken door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools op 24 januari 2020. Hiermee is het verzoek tot herziening definitief afgewezen vanwege niet-naleving van de griffierechtverplichting.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/03374
Datum24 januari 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het verzoek tot herziening van het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 17 mei 2019, nr. 18/02345, ECLI:NL:HR:2019:729.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening

De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 21 augustus 2019 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is wegens onbestelbaarheid teruggezonden aan de Hoge Raad, waarna adresverificatie heeft plaatsgevonden en het stuk bij gewone brief is verzonden naar het adres van belanghebbende. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 11 november 2019 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door belanghebbende opgegeven adres. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruikgemaakt.
Het verzoek tot herziening moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, in verbinding met artikel 8:119, lid 2, van de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en P.A.G.M. Cools, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2020.