Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
9 juni 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een jeugdige verdachte die tussen 6 september 2016 en 14 oktober 2016 niet aan haar kwalificatieplicht voldeed door veelvuldig ongeoorloofd afwezig te zijn op Praktijkonderwijs Zutphen. De leerplichtambtenaar stelde vast dat de verdachte en haar ouders verantwoordelijk waren voor het schoolverzuim, ondanks herhaalde oproepen voor verhoor en verzoeken om medewerking aan onderzoek naar de vermeende ziekte.
De verdediging voerde aan dat de afwezigheid te wijten was aan ziekte, waarvoor een vrijstelling op grond van artikel 11.d van de Leerplichtwet 1969 zou gelden. De Hoge Raad oordeelde echter dat een enkele ziekmelding, zoals bedoeld in artikel 12 van Pro die wet, niet in alle gevallen voldoende is om geoorloofde afwezigheid aan te tonen. Het hof had gemotiveerd vastgesteld dat niet aannemelijk was dat de verdachte geoorloofd afwezig was, mede omdat er geen openheid van zaken werd gegeven en medewerking aan onderzoek werd geweigerd.
De Hoge Raad bevestigde dat het bewijs en de motivering van het hof toereikend zijn en verwierp het cassatieberoep. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, maar dat dit gezien de lichte opgelegde straf geen rechtsgevolgen heeft. De opgelegde straf bestond uit een geheel voorwaardelijke taakstraf van veertig uur, subsidiair twintig dagen jeugddetentie.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verdachte niet aan haar kwalificatieplicht heeft voldaan en verwerpt het cassatieberoep.